Startmethoden

Zweefvliegtuigen kunnen op meerdere verschillende manieren de lucht in gebracht worden.

Er zijn 5 methodes waarvan in Nederland er 3 gebruikt worden.

De lierstart:
In Nederland wordt voornamelijk de lierstart methode toegepast. Dit is ook de meest voordelige manier om het vliegtuig in de lucht te brengen.
De lier bestaat uit een zware benzine, of dieselmoter, die een kabeltrommel aandrijft. Op de kabeltrommel ligt ca. 1000 meter staalkabel die met behulp van een auto, of tractor van de lier naar het zweefvliegtuig gebracht wordt. De kabel wordt aan het vliegtuig bevestigd en daarna wordt de lier gestart. Met ca. 100 km/u wordt daarna het zweefvliegtuig de lucht in getrokken. In 40 sec gaat het zweefvliegtuig naar een hoogte van 400 meter.

De sleepstart:
Een andere maar veel duurdere methode is het opslepen door een motorvliegtuig. Het zweefvliegtuig wordt met een kabel van 50 meter aan de achterzijde van het motorvliegtuig vastgemaakt. Samen starten zij op de startbaan van het vliegveld en het motorvliegtuig sleept het zweefvliegtuig naar 500 meter hoogte. Daar ontkoppeld het zweefvliegtuig de kabel en gaat op zoek naar thermiek. Het motorvliegtuig keert terug en sleept het volgende vliegtuig omhoog.

De zelfstarter:
Sommige moderne zweefvliegtuigen hebben een ingebouwde motor, waarmee het zweefvliegtuig zelfstandig kan starten. Voor de start wordt de motor met propellor uitgeklapt. De vlieger start de motor en kan net als een motorvliegtuig starten. Als het zweefvliegtuig op hoogte is, wordt de motor gestopt en weer opgeborgen in de romp. Daarna is het weer een gewoon zweefvliegtuig.

Rubberkabel- en autostart:
Deze beide methode worden in Nederland niet meer toegepast.